Florence

Column | 12-02-2018Otto de Bruijne

Ik vergeet het nooit. Het was in de tijd dat ik in Nairobi, Kenia, op kantoor aan het werk was. Eerste verdieping. Ik hoor buiten gegil. Loop naar het raam … zie dan, honderd meter verderop, op het kruispunt, een steeds groter wordende groep mensen.  
 
Even beter kijken. Ik zie in het midden van de omstanders een man die een vrouw in elkaar slaat. Ram, ram, ram. Trappen, slaan, ze valt. Hij trapt haar tegen het asfalt, en dan tegen haar hoofd. De mensen staan eromheen. Tot mijn verbazing zie ik dat er ook een politieagent bij staat te kijken. Het wordt mij teveel en ik wil naar buiten stormen om in te grijpen.

Ik wist dat mijn collega’s mij ernstig waarschuwden dat als ik er tussen gesprongen zou zijn, ik als blanke westerling door de meute gelyncht zou zijn.

Mijn Afrikaanse collega’s weten mij tegen te houden en nu staan we met drie collega’s te kijken. Net als die omstanders beneden. Een van mijn collega’s fluistert beschaamd: ‘Dit is Afrika. Hij heeft het recht haar te slaan … als zij zijn vrouw is tenminste. Daar doet niemand wat aan.’ ‘We weten niet wat ze uitgespookt heeft’, zegt de ander. ‘Misschien overspel.’ Het trappen en slaan gaat door. De vrouw beweegt niet meer. De man loopt weg. De mensen verspreiden zich. De politieagent lummelt weg. Niemand kijkt naar het slachtoffer. 

Het is lunchtijd, dus ik rij naar huis en langs de vrouw die daar levenloos op straat ligt. Half in de berm, half op straat. Ik stop. Zie het bloed uit haar oren komen. Dichtgetrapte ogen. Gescheurde kleren. Een wanhoopje mens. En ik… 

Nu laat mijn geheugen mij in de steek. Ben ik doorgereden? Ben ik uitgestapt? Heb ik haar opgeraapt, in mijn auto gedragen? Ik weet dat ik de lunch niet kon gebruiken. Het lichaam. De hele gebeurtenis. Het grijnst mij toe uit het bord met eten. Bah… Ik weet niet meer wat ik gedaan heb… Wie ben ik? Ik wist dat mijn collega’s mij ernstig waarschuwden dat als ik er tussen gesprongen zou zijn, ik als blanke westerling door de meute gelyncht zou zijn. Heb ik uit angst daarom een kwartiertje later, toen alles stil was en die vrouw daar alleen lag, niet gedurfd haar, dead or alive, alsnog te helpen.

‘Ze heet Florence,’ zei mijn vrouwelijke collega. ‘Ze ligt nu in het ziekenhuis en heeft zojuist Jezus aangenomen.’

Nee, ik weet het weer: toen ik daar naast haar stond hebben mijn vrouwelijke collega’s zich over haar ontfermd, en ik heb gezegd: breng haar naar het ziekenhuis, ik betaal alle kosten. En zo is het ook gegaan. Maar het feit blijft dat ik zelf niet uit mijn auto kwam. Wie ben ik? Ben ik een ‘freezer’, een ‘flee-er’ of een ‘fighter’? Ben ik de eeuwige stukjesschrijver? De observant? De Lamme Filosoof? 

Ik kom na de lunch weer op het werk. ‘Ze heet Florence,’ zei mijn vrouwelijke collega. ‘Ze ligt nu in het ziekenhuis en heeft zojuist Jezus aangenomen.’ Ik ben stil. Wat is het toch: die Afrikanen kijken eerst op afstand, helpen dan concreet en leiden iemand meteen ook maar ‘tot Jezus’, terwijl ze haar afleveren in het ziekenhuis. Ik word gek. Hoe halen die lui het bij elkaar? Ik betaal de ziekenhuisrekening met ongelofelijk veel vreugde: 1200 shilling als ik me niet vergis. Peanuts. Dat is mijn kleine aandeel. Als blanke. Als westerling en buitenlander. Als man… 

Florence komt de volgende dag op kantoor en loopt met een bezem rond. Mijn collega: ‘O, ja, we hebben haar een baantje gegeven, want haar man liet haar in de steek en ze heeft kinderen.’ Zo praktisch is het dus. Mooi. 

Tekst: Otto de Bruijne

Resister: stop geweld tegen vrouwen

45% van de vrouwen in Nederland heeft weleens te maken gehad met geweld. Bijna 1 op de 2! Om erachter te komen of dit aantal onder christelijk Nederland ook zo hoog is en wat de rol van de kerk zou kunnen zijn, heeft Tear in 2017 een enquête gedaan. Maar je kunt meer doen. Benieuwd hoe? Word een Resister en kom in actie!